" De Zilversmederij "
Als wij de loopbaan van Abraham Bernardus van Grasstek goed willen volgen, moeten wij beginnen bij zijn leermeester, Jacob Hendrik Stellingwerff, geboren te Zwolle in 1773 en getrouwd te Amsterdam op 1 April 1803 met Gesina Voorthuys, geboren te Zwolle in 1779. Jacob Hendrik was meester - zilversmid en zijn smederij was ondergebracht in het pand, Tuinstraat nr. 130 te Amsterdam. Hij had zich gespecialiseerd in het vervaardigen van groot zilverwerk zoals broodmanden en trommeltjes.
Uit het boekje "Bonebakker 1792-1967", geschreven ter gelegenheid van het 175-jarig bestaan dezer zilversmederij, door M.G. Emcis Jr., blijkt dat Stellingwerff in het jaar 1807 opdracht kreeg van Bonebakker om 3 paar kastanjevazen te vervaardigen. Toen de fa. Bonebakker van de stad Amsterdam opdracht kreeg een 419-delig zilveren tafelservies te leveren, bestemd voor kroonprins Willem Frederik van Oranje, de held van Waterloo, die op 29 Februari 1816 was gehuwd met de Russische keizersdochter Anna Paulowna, besteedde Bonebakker van het servies, dat op 30 Maart 1818 in het paleis op de Dam te Amsterdam werd aangeboden, de 8 schalen met deksels, de 2 broodmanden, de 4 aspergetangen en de 4 vislepels uit Ó raison van fl.832.- fatsoen (fašon = maakloon) bij de zilversmid Stellinwerff aan.

Omstreeks deze tijd kreeg Jacob Hendrik Stellingwerff behoefte aan een grotere smederij en dus betrok hij het pand in de Bloemstraat nr. 22.

Abraham Bernardus van Grasstek voelde zich als jongeling reeds aangetrokken tot het edele vak der zilversmeden en trad daarom als leerling in dienst bij Jacob Hendrik Stellingwerff, die als spoedig zag, dat de jonge Bram over talent beschikte. Bij Stellingwerff leerde hij niet alleen zijn vak, maar ook zijn toekomstige vrouw, Gerridina Busscher, kennen, waarmede hij op 5 Juni 1816 trouwde.

Op 23 November 1823 overleed Jacob Hendrik Stellingwerff op 50-jarige leeftijd en bleef Gesina Voorthuys met haar kinderen achter, waarvan Willem Adrianus, geboren 14 December 1806, en Evert Stellingwerff, geboren 16 Augustus 1809 de oudste twee zonen waren. Deze zoons leerden wel is waar het zilversmidvak, maar konden hun vader, gezien leeftijd en vakkennis nog niet opvolgen en daarom verzocht Gesina Voorthuys, Abraham Bernardus van Grasstek als meesterknecht - zilversmid de leiding van de smederij op zich te nemen. Deze overeenkomst bleek voor de fa. Stellingwerff de juiste oplossing voor haar opvolgingsprobleem te zijn geweest, want de firma bleef bij haar opdrachtgevers hetzelfde vertrouwen genieten als toen Jacob Hendrik Stellingwerff nog leefde. Zo bestelde de stad Amsterdam in de zomer van 1830 bij de fa. Bonebakker een omvangrijk zilveren servies. Bonebakker besteedde deze opdracht uit bij 5 gespecialiseerde zilversmederijen, waaronder werderom de fa. Stellingwerff, die de ronde en de ovale schotels, samen 18 in getal moest vervaardigen en waarvan het fatsoen fl.750.- bedroeg.

Hoewel Willem Adrianus en Evert Stellingwerff resp. 30 en 27 jaar oud waren, zag de Wed. Stellingwerff - Voorthuys, dat de zilversmederij niet zonder het talent kon van Abraham Bernardus van Grasstek, die in feite al vanaf 23 November 1823 de leiding der firma had gehad en dus werd tot een compagnonschap besloten, waaronder de firmanaam werd gewijzigd in: "Stellingwerff en van Grasstek" Op 6 Januari 1837 werd dan ook aangifte gedaan onder nr.693 bij de waarborg op de gouden- en zilverwerken, destijds gevestigd in het "Oostindische Huis", Oude Hooghstraat te Amsterdam, door de Wed. Stellingwerff, geboren Voorthuys, Gesina en van Grasstek, Abraham Bernardus, gevestigd in de Bloemstraat nr. 22 te Amsterdam. Fabrikanten van groot zilverwerk - Meesterteken: S & G

Abraham Bernardus van Grasstek kwam nu met zijn gezin boven de smederij te wonen en was zodoende steeds bij de hand voornamelijk ook 's avonds als de opdrachtgevers nog even met meester-zilversmid van Grasstek wilden spreken over de werkstukken. Het ging de compagnons werkelijk niet slecht.

In 1840 was de Wed. Stellingwerff - Voorthuys nog steeds actief bij de firma betrokken, want uit de trouwacte van haar zoon, Willem Adrianus Stellingwerff, die op 26 Februari 1840 trouwde met Jannigje van Tigchelen, Wed. van Harmanus Pepijn (Reg. 1 fol 53 Gem. Arhief Amsterdam) blijkt, dat de Wed. Stellingwerff nog "zilversmids - affaire doende" was, terwijl de bruidegom, Willem Adrianus, als "zilversmidsknegt" wordt vermeld.

Tussen de jaren 1840 en 1844 moet hierin echter verandering hebben plaatsgevonden, want uit de trouwacte van de tweede zoon, Evert Stellingwerff, die op 31 Januari 1844 trouwde met Hermina Pot (Reg. 1 fol. 54 Gem. Arhief Amsterdam) blijkt, dat de Wed. Stellingwerff dan "zonder beroep" is, en dat de bruidegom, Evert, als "zilversmidsknecht" wordt vermeld, terwijl getuige, Willem Adrianus Stellingwerff als "zilversmid" wordt genoemd. Hieruit is te concluderen, dat de Wed. Stellingwerf - Voorthuys zich tussen de jaren 1840-1844 uit de zaak terug trok ten gunste van haar oudste zoon Willem Adrianus. Voor meester - zilversmid Abraham Bernardus van Grasstek bracht deze interne wijziging geen enkel verschil met zich mede; hij behield de leiding en kreeg in de zomer van 1845 weer een mooie opdracht, waarvan de tastbare bewijzen thans nog voorhande zijn. In dit jaar n.l. bestelde Hr. J. Commelin bij de fa. Bonebakker doop- en avondmaalzilver voor de Oude Kerk te Amsterdam. Het doopstel zou bestaan uit waterkan en doopbekken. Het avondmaalzilver moest 12-delig worden t.w. 1 grote wijnkan van 5 l. inhoud, 2 kleinere wijnkannen van 2 l. inhoud elk, 4 nachtmaals bekers, 1 vierkante broodschotel, 2 ronde broodschotels en 2 offerschalen. Van deze bestelling kreeg de fa. Stellingwerff van Grasstek opdracht tot vervaardiging van de 3 broodschotels, de 2 offerschalen en het doopbekken.
In 1848 kreeg ook de Westerkerk te Amsterdam een 12-delig zilveren avondmaalstel, dit ingevolge de wilsbeschikking van de Wed. Wilhelmina Lentfrinck - van Schevicharen, die had bepaald, dat deze schenking na haar dood zou geschieden. Haar erfgenamen bestelden het avondmaals-zilver bij de fa. Bonebakker, die de opdracht weer precies zo uitbesteedde als dit het geval was met het avondmaalsstel voor de Oude Kerk.

Op 26 Februari 1848 leverde de fa. Stellingwerff en van Grasstek aan de fa. Bonebakker 1 vierkante en 2 ronde avondmaalsschotels (gewicht 4922 gr.). Het fatsoen hiervoor bedroeg fl.180.-.
Op 18 Maart 1848 leverde de fa. Stellingwerff en van Grasstek aan de fa. Bonebakker 2 offerschalen met trechters (gewicht 3657 gram). Hiervan was het fatsoen fl.200.-. Voor materiaal, arbeidsloon en winst berekende de fa. Bonebakker aan de opdrachtgevers voor de 3 schotels fl. 855.- en voor de 2 offerschalen fl. 630.-.

In het jaar 1849 besluiten de firmanten, Stellingwerff en van Grasstek, het compagnonschap te beŰindigen. Abraham Bernardus van Grasstek zal de zaak, maar nu onder eigen naam, verder voeren, terwijl Stellingwerff zal uittreden. Als gevolg van deze overeenkomst werd op 28 Januari 1850 aangifte gedaan onder nr. 916 bij de Waarborg op de gouden- en zilverwerken door van Grasstek Abraham Bernardus, als fabrikant van groot zilverwerk, gevestigd in de Bloemstraat nr. 22 te Amsterdam. Het Meesterteken: A.B.v.G.

De Wed. Gesina Stellingwerff - Voorthuys heeft deze verbreking van het compagnonschap niet lang overleefd. Zij stierf op 24 Mei 1850 in de ouderdom van 71 jaar op het adres, Herenstraat nr. 29 te Amsterdam (Reg. 3 fol. 90 Gem. Archief Amsterdam)

Op 2 Augustus 1855 overleed in zijn woning, Bloemstraat nr. D.D. 202 (het nummer 22 was in het jaar 1852 gewijzigd in D.D. 202) meester-zilversmid, Abraham Bernardus van Grasstek in de ouderdom van 66 jaar. Zijn heengaan was niet alleen voor het gezin een groot verlies, maar was ook voor de zaak van enorme betekenis. De Wed. Gerridina van Grasstek - Busscher stond dan ook voor een zeer zware taak.

Op 31 Augustus 1855 werd aangifte gedaan onder nr. 990 bij de Waarborg op de gouden- en zilverwerken door de Wed. A.B. van Grasstek, geboren Busscher, Gerardina, als fabrikante van groot zilverwerk, gevestigd in de Bloemstraat D.D. 202 te Amsterdam. Het meesterteken: G.B.

De Wed. van Grasstek - Busscher hield na het overlijden van haar echtgenoot het administratief en financieel beheer der zaak aan zich, zoals ook blijkt uit de trouwacte van haar dochter, Susanna Geertruida van Grasstek, die op 4 September 1856 trouwde met Joannes Weenink (Reg. 8 fol. 51v. Gem. Archief Amsterdam), waarin Gerridina Busscher als "goud- en zilverkashoudster" wordt genoemd. De leiding van de zilversmederij droeg zij aan haar zoon, Lodewijk, over.

Zoals reeds gezegd, werd op 31 Augustus 1855 de zaak op naam gesteld van de Wed. van Grasstek - Busscher, hetgeen geenszins zeggen wilde, dat nu alles weer was geregeld en de zaak op de oude voet zou kunnen worden voortgezet. Gerridina Busscher werd thans voor dezelfde moeilijkheid geplaatst als destijds in 1823 de Wed. Stellingwerff - Voorthuys, n.l. wie was er op dit moment in de zaak vakkundig en kunstzinnig genoeg om de leiding in de smederij op zicht te nemen?

Gerridina's enige zoon, Lodewijk van Grasstek (1817-1899), had reeds in zijn jeugd te kennen gegeven het meubelmakersvak te willen leren, hetgeen dan ook was gebeurd en waarna hij als zodanig werkzaam werd.

Toen echter in 1837 Abraham Bernardus van Grasstek het compagnonschap met de Wed. Stellingwerff was aangegaan, moet deze Abraham wel aan een opvolger hebben gedacht en uit hoofde hiervan met zijn zoon, Lodewijk, hebben gesproken, want in ▒ 1839 zegt de meubelmaker zijn vak vaarwel en gaat bij zijn vader in de leer. Lodewijk wordt wel is waar een goed technisch vakman, maar de vereiste kunstzin was hem niet aangeboren.

Hoewel Gerridina Busscher wist, dat Lodewijk niet over het talent van zijn vader beschikte, wilde zij toch niet een ander in de zaak opnemen of een compagnonschap aangaan, daar Lodewijk haar enige zoon was, op wiens naam straks de zilversmederij moest worden voortgezet. Bovendien was Lodewijk getrouwd en 38 jaar oud en had hij reeds vanaf ▒ 1839 in de zilversmederij gewerkt en dus vertrouwde Gerridina Busscher hem de leiding van de zilversmederij toe. Lodewijk was vol goede moed en aan ijver ontbrak het hem ook niet. Desondanks begon na een jaar het aantal opdrachten al iets terug te lopen, zeker als het opdrachten voor siersmeedkunst betroffen. Daarom bespraken moeder en zoon de gang van zaken in het vroege voorjaar van 1858, waarbij werd overeengekomen:
- 1. de Wed. van Grasstek - Busscher zou zich uit de zaak terug trekken,
- 2. Lodewijk van Grasstek zou de zaak, maar nu onder eigen naam en voor eigen verantwoordelijkheid, voortzetten,
- 3. Lodewijk zou ook de beschikking krijgen over het grootste deel van de woonruimte boven de smederij om zich hier met zijn gezin te kunnen vestigen.

Op 29 Mei 1858 werd dan ook aangifte gedaan onder nr. 1024 bij de Waarborg op de gouden- en zilverwerken door van Grasstek, Lodewijk als fabrikant van groot zilverwerk, gevestigd in de Bloemstraat Buurt DD nr. 202 te Amsterdam. Het Meesterteken: L.v.G.

Lodewijk van Grasstek ging zich nu meer toeleggen op de vervaardiging van standaardartikelen, zoals lepels en vorken en hoopte hiermede gunstiger bedrijfsresultaten te verkrijgen. Het mocht echter niet zo zijn; de verdiensten bleven onder de verwachting, terwijl de zorgen en kosten voor zijn gezin toenamen. Als dan op schrikkeldag van het jaar 1860 zijn naamgenoot werd geboren, waardoor zijn kinderstel tot 7 steeg, besloot meester-zilversmid, Lodewijk van Grasstek, contact op nemen met de Koninklijke Ned. Fabriek van gouden- en zilverenwerken van J.M. van Kempen te Voorschoten, teneinde te informeren in hoeverre de mogelijkheid aanwezig was om met deze firma een fusie of andere zakelijke overeenkomst aan te gaan. Na geruime tijd van onderhandelen werd besloten:
- 1. Lodewijk van Grasstek zou zijn zilversmederij opheffen,
- 2. Hij zou zijn inventaris en werktuigen inbrengen bij de fa. van Kempen,
- 3. Lodewijk van Grasstek zou bij de firma van Kempen aangesteld worden als meesterknecht-zilversmid op de afdeling "Lepelmakerij".
- 4. Gerridina Eleonora van Grasstek, oudste dochter (18 jaar) van Lodewijk zou in dienstbetrekking komen bij de familie van Kempen - Gobins - Dusart voor het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden,
- 5. Abraham Bernardus van Grasstek, oudste zoon (13 jaar) van Lodewijk, zou op de tekenafdeling van de firma van Kempen te werk worden gesteld en zou hiervoor een cursus in het vak "vrij tekenen" aan de avondschool moeten volgen,
- 6. Het geheel zou met November 1861 ingang hebben Lodewijk van Grasstek vertrok dan ook op 30 September 1861 met vrouw en kinderen van Amsterdam naar Voorschoten.

Op 12 November 1861 werd zijn inschrijving bij de Waarborg op de gouden- en zilverwerken te Amsterdam afgeschreven "wegens opheffing der zaak". Ook zijn meesterteken kwam hiermede te vervallen (zoals werd geregistreerd: door verlating van het beroep). Het zal voor Lodewijk van Grasstek geen gemakkelijk te nemen besluit zijn geweest om het levenswerk van zijn vader, Abraham Bernardus van Grasstek, aan zijn eigen belangen op te offeren, hoewel de liquidatie der zilversmederij hem van vele zorgen bevrijdde, waardoor hij zich weer met hernieuwde ijver en toewijding aan zijn nieuwe functie kon geven. Bij de firma van Kempen was hij dan ook al zeer spoedig een zeer geziene medewerker.

Lodewijk van Grasstek stierf op 2 Juli 1899 te Voorschoten in de ouderdom van 82 jaar. Zijn stoffelijk overschot werd de 7e d.a.v. te Voorschoten ter aarde besteld; onder de sprekers was ook de zoon van de heer van Kempen, die de overledene als voorbeeld stelde met betrekking tot zijn ijver, toewijding en verantwoordelijkheidsgevoel.
Bron: http://www.familievangrasstek.nl